Gina belt me op het werk met enig nieuws over ons nieuw appartement… Net voor ze het telefoongesprek beëindigd, deelt ze me mee dat er een “briefje” van een deurwaarder in de brievenbus steekt. Nu moet je weten dat ik zó in elkaar zit dat ik van zulke mededelingen een put in mijn maag krijg. Je weet wel, precies of je hebt iets verkeerd ingeslikt. Je wil onmiddellijk wat Coca drinken, om eens een vette boer te kunnen laten, om van dat gevoel af te raken. En ná het boeren blijf je daar op dat plaatsje, net onder het einde van je borstbeen, met een axiety-gevoel zitten. Ik weet wat dat woord betekend, maar het taalduiveltje dwingt mij mijn Merriam Webster Collegiate Dictionary te openen en de exacte beschrijving van het woord na te kijken, kwestie van zeker te zijn… En, ja hoor, de beschrijving is perfect voor wat ik voel:
Anxiety: “an abnormal and overwhelming sense of apprehension and fear often marked by physiological signs (as sweating, tension, and increased pulse), by doubt concerning the reality and nature of the threat, and by self-doubt about one’s capacity to cope with it”
“Wat staat er op, van wie komt het”, vraag ik haar. “Geen idee”, zegt ze… Ja, dat is net wat ik nodig heb, ik zit op mijn werk, zoals altijd onder de stress die hoort bij support call handling, en dan dit… “Staat er geen telefoonnummer op”, vraag ik? “Ah, ja…, maar ’t zal nu te laat zijn om daar naar te bellen. Je moet je morgen met je paspoort presenteren om 9 uur op het politiebureel, daar op de ring waar vroeger de kazernes waren…”. Ja, goed, maar dat is niet de goeie manier om van die knoop af te raken! Ik moet maar proberen denken zoals destijds Jean-Luc Dehaene: “we zullen de problemen evalueren en aanpakken als ze er zijn”…
Als ik naar huis rij en alleen in de auto zit, probeer ik mij al in te beelden wat dat exploot zou kunnen inhouden. Mijn gezicht staat op onweer als ik thuiskom. “Wat is dat nu weer, dat hebben we nú net nodig”, zegt ze. We komen allebei tot besluit, dat het niet anders dan dat akkefietje kan zijn met de sluikstorter…
Wanneer ik de volgende ochtend op het politiebureau kom, na onze teamleader te hebben verwittigd dat ik wat later kom, wordt die inderdaad bevestigd, het ís de sluikstorter. Ik kan niet nalaten te denken van… dit is weer alleen in België mogelijk, een vent die iets misdoet en aanklacht indient tegen hen die hem proberen stoppen… en wie weet… misschien nog gelijk krijgt ook.
En terwijl ik naar Waterloo rijdt, komt de herinnering aan het hele gebeuren als een film mijn hoofd binnen. Het is alsof het gisteren is gebeurt. Het evenement op zich vind ik, net zoals de dag, zelfs het uur nadat het is gebeurt, beneden alle peil. En ik bedoel het hele gebeuren, inclusief het grootste gedeelte van de acties van al wie er bij aanwezig was… Iets dat ik voor de eerste keer in mijn leven meemaak, en niet meer wil meemaken. Door het gebeuren zitten er nu in mijn lijf voldoende sensoren bij ingebouwd, zodanig dat ik dergelijk situatie in het vervolg van op afstand zal detecteren, en mij ver zal houden van elke inmenging… Misschien is dat ook niet echt de goede gang van zaken, moet ik hier genoeg tijd laten overgaan, zodat de scherpe kantjes er vanaf gaan, zodat ik er nuchterder kan over nadenken…
Zondag, 24 juli 2005. Ik sta op en hoor Gina roepen van op ons terras, dat 17 meter lang is en over de ganse lengte van het appartement loopt: “kom eens kijken, want er is daar beneden weer eens iets aan de gang. Een van je collega’s van de adviesraad (hierna als E.D.R. vermeld) staat heftig te discuteren met iemand. Waarschijnlijk een sluikstorter, er staat een auto bij en ze halen er van alles uit om daar op de hoop de werpen…”.
Toelichting… Je moet weten dat er tussen de beide appartementsgebouwen een open plaats is, waar we met de adviesraad reeds allerlei maatregelen rond hebben genomen, om sluikstorters te ontmoedigen hun ding te doen. De plaats mag worden gebruikt om het “groot huisvuil” te deponeren. Dat mag ten vroegste maandagavond, want dinsdagmorgen komen de mannen van Ivago. Maar zelfs onmiddellijk nadat ze alles hebben weggehaald, komt “men” er terug allerlei dingen plaatsen. In een mum van tijd ligt het er terug vol met tv’s, roltafeltjes, zakken met allerlei klein plastic en glas, volledige meubels, complete salons, m.a.w. je kan het zo gek niet bedenken of het ligt er. Er komen zelfs bezoekers op af om te controleren of er niets bruikbaars voor hen tussen zit… voor hun is het gewoon een leuk alternatief voor een bezoek aan de vuilnisbelt. Als adviesraad weten we dat het er ’s nachts soms druk wordt. “Hoe later het wordt, hoe drukker…”, zei de conciërge me onlangs bij het nakijken van de tapes van de bewakingscamera’s. De plaats is ondertussen gekend, en wordt dus bezocht door wie ook maar iets te veel heeft, dikwijls lui die niet in één van de beide gebouwen wonen. Het zijn dikwijls buitenlanders, dus mensen die niets weten van containerparken en hun werking. De stad blijft hier ook oogluikend op toezien…
Ik zie dus mijn kompanen van de adviesraad in nood… Ik neem mijn filmcamera, en storm mijn terras op. Helaas, de afstand van het 10de verdiep naar de grond is gewoon te ver. Ik kan niet genoeg inzoomen om het tafereel vast te leggen en geluid zou er zeker niet bij geregistreerd worden. Ik neem dus mijn digitale Canon 300D en ga naar beneden. Ik kom de hoek van het gebouw om en zie dat E.D.R. en ook mijn jonge buur R.W. (die ook in de adviesraad zit), letterlijk en figuurlijk, met hun rug tegen de muur staan. C.D.P. en zijn vriend staan tegen beide te schreeuwen en hun slogans om de oren te kletsen… “Ik woon hier en ik heb dus het recht…”, “dit is een complot en ik zal mij verder wenden…”. Dit alles gaat gepaard met veel lawaai, opgeheven armen, nijdopengesperde ogen, kijvende vingers, enz. E.D.R en mijn R.G. proberen zo goed en zo kwaad het kan de techniek van de kapotte grammofoonplaat (blijven herhalen) toe te passen, zonder resultaat. Daarbij probeert de C.D.P. voortdurend zich een weg te banen naar de keldertrap, want hij wil een en ander in de kelder gaan deponeren… Op dat moment neem ik van hem een foto. Hij kijkt mij aan en ontsteekt in een furie. Hij komt met een eenzitter op mij toegelopen. Hij houdt het zeteltje vast op heuphoogte en ik zie dat één van de poten is gespleten en een punt vormt. Ik draai mij om en zet het op een lopen, achterna geschreeuwd door de sluikstorter, die terug richting kelder gaat. Ik keer terug en neem nog een foto. Ditmaal verrast hij me, hij is sneller bij mij dan ik had ingeschat. Ik denk “hij ramt me met dat spul!?” en om hem af te weren, zwaai ik mijn vrije rechterhand opwaarts (want in mijn linkerhand heb ik de schouderriem van mijn fotoapparaat vast). Hij loopt letterlijk tegen mijn hand op, of liever op mijn zo goed als gestrekte vingers. Ik vermoed dat mijn nagels zijn neus hebben gekwetst, want tot mijn verrassing bloed hij. Ik had nooit de bedoeling hem te slaan… Ik ben 56 jaar en heb nog nooit iemand ook maar een tik verkocht!
Wat ik op dat moment niet weet is dat Gina van op het terras het hele gebeuren heeft gevolgd, en belt de politie. De reden waarom zij dat doet is zeer eenvoudig; zij weet dat, wanneer er klappen vallen, ik mij nooit zal kunnen verdedigen wegens gewrichtsontstekingen in handen én voeten door hemachromatose… M.a.w., mocht ik ooit iemand echt een mep verkopen, dan ben ik waarschijnlijk sneller bewusteloos dan mijn slachtoffer, gewoon van de pijn.
De vriend van de C.D.P., een Iraniër zegt men me later – en dit is alleen gesteld als feit, verder bedoel ik er niets mee – speelt een zéér kwalijke rol. Hij begint luid “haal er de politie bij” te scanderen, grijpt de schouderriem van mijn fotoapparaat stevig vast, omdat ik zeker niet zou ontsnappen. Gina is er ondertussen ook bijgekomen en vertelt me dat ze de politie gebeld heeft. Ik vertel dus aan de aan mijn arm hangende kerel dat hij me gerust kan los laten en dat de politie mij wel thuis zal komen opzoeken en geef hem ook nog mijn adres. Hij sleurt meteen nog wat harder aan de schouderriem van mijn fotoapparaat. Ik moet toegeven dat C.D.P. op een bepaald moment zijn vriend dwingend bij de arm neemt en hem tot de orde roept. “Laat los…, laat los! Laat dat los!”. En uiteindelijk doet hij dat ook.
Hij gaat echter door tegen iedereen die er omheen staat en volgens hem iets mee te maken heeft te intimideren, zo van: “gij zijt niet normaal, hé vriend…”. Wat hij ermee probeert te bekomen, besef ik pas later; hij probeerde gewoon de atmosfeer te verhitten. Ik vermoed dat hij er op uit was een racistische reactie uit te lokken, in afwachting van de komst van de politie. Dat is hem in alle geval niet gelukt. E.D.R. en R.G. steken hun handen in hun zakken om niet in verleiding te komen.
De politie komt toe en stuurt na kennisname iedereen naar hun respectievelijke woonsten, waarna zij hun ronde doen. Ze komen dus, na enige tijd, bij ons langs. Ik laat hun plaatsnemen en bied hun iets te drinken aan. In het begin merk ik duidelijk dat de agent die het woord voert een beetje vooringenomen is. Hij zegt op een bepaald moment zoiets van: “maar enfin, waar ben je mee bezig, die vent zijn gezicht was bebloed!?”. Waarop ik prompt antwoord: “Ja, als dat zo is, dan heeft hij het waarschijnlijk wat open gewreven!”. Te gek voor woorden? Helemaal niet, dat geloof ik nu nog! Ik blijf erbij. De man loopt tegen mijn vingernagels en wordt daarbij licht gekwetst aan de neus! En niks meer! Ik verklaar dit ook aan de politie, nadat ik heb gehoord dat een getuige heeft verklaard dat ik de sluikstorter twee meppen heb gegeven. Ik vermoed dat dit de man is die mij, na het gebeurde, een opmerking is komen maken dat ik “beter eens ’s nachts wat foto’s zou komen nemen, als daar een groep Bulgaren komt sluitstorten, i.p.v. deze man aan te vallen”. Waarom hij gewag maakt van twee slagen en daardoor dus pertinent liegt, is mij een raadsel. Een soort valse solidariteit met C.D.P., waarvan hij hoopt dat ik daardoor een straf zal krijgen? Ik kan dit niet begrijpen. Zoals ik in het begin van dit verslag al stelde, een vertoning beneden alle peil en ik maak daarbij ook geen uitzondering voor mijzelf! De mensen van de adviesraad die hierbij aanwezig waren zullen mijn verslag van het gebeurde zonder enige twijfel bevestigen.
Naarmate ik mijn verslag van de feiten doe, constateer ik dat de agent wat bijdraait en blijkbaar zijn mening over mij wat herziet. Foto’s nemen mag blijkbaar alleen maar als er een misdrijf wordt vermoed, anders is het “schending van de privacy”, asjeblief! Wel, de sluikstorter wás bezig met een misdrijf! Punt! Ze kwamen ons onderhand bij de adviesraad van het gebouw de strot uit. Ik was gewoon blij dat we er eens een hadden kunnen betrappen op heterdaad! Het is niet dat ik het allemaal niet kan relativeren, maar je zal je appartement maar eens proberen verkopen en de potentiële kopers langs de voortdurend aanwezige vuilnisbelt moeten leiden… Ik maak een kopie op CD van de twee foto’s die ik heb genomen en geef deze mee aan de agenten. Uiteindelijk ziet de agent in hoe erg ik eigenlijk van het gebeurde onder de indruk ben en ook hoezeer het me spijt dat het allemaal op die manier is gelopen en zegt sussend: “maak u maar niet te ongerust, ’t is niet dat dit zó erg is en het kan ook best met een sisser aflopen”.
Dát is nu net waar ik niet gerust in ben. Ik verneem uit de mond van C.D.P. zelf, dat hij chronisch ziek is en er werk van zal maken bij zijn artsen om er munt uit te slaan, en ik geloof hem. Ik ben ervan overtuigd dat hij inmiddels alles in het werk heeft gesteld om voorvermelde specialisten er van te overtuigen een en ander op papier te stellen, met de bedoeling ondergetekende zo veel mogelijk schade te berokkenen.
Weken later ontmoet ik C.D.P. in de kelder. Ik kan het niet nalaten om toch mijn excuses aan te bieden, zelfs als hij er waarschijnlijk bij zal denken dat ik het alleen maar doe om hem er vooralsnog toe te bewegen geen aanklacht in te dienen. Ik zeg hem dus dat, ongeacht zijn mogelijke acties, mijn excuses voor het hele gebeuren wens aan te bieden. Hij kijkt me weer kwaad in de ogen en zegt: “Ik wil met u niets meer te maken hebben, als ge mij tegenkomt op straat moet ge geen goedendag zeggen, want ik spreek nooit meer tegen u”! Wel, ook goed. I rest my case. Ik kan er uiteindelijk maar een paar slotbedenkingen bij maken die, ik weet het, keihard zullen klinken…
Als je chronisch ziek bent en je hebt niets anders meer te doen dan andere mensen “den duvel aan te doen”, wel, bezoek een goeie psychiater! En nog, er zou in België een wet moeten worden gestemd dat mensen zoals C.D.P, die misbruik maken van hun democratische rechten, zodat justitie en maatschappij op kosten worden gejaagd, daarvoor gestraft kunnen worden, ziek of niet!